Op deze pagina lees je alles over verschillende soorten belastingen die relevant zijn voor ondernemers en bedrijven.

Aftrekposten

De hoofdregel voor aftrek van kosten is simpel: alle kosten die nodig zijn voor de uitoefening van je onderneming of beroep zijn aftrekbaar.

Aftrekbare kosten verlagen je winst uit onderneming. Zo kun je minder belasting betalen door het gebruiken van fiscale regelingen en aftrekposten. Een lagere winst betekent namelijk dat je minder inkomstenbelasting betaald. Je moet die kosten wel kunnen aantonen. Het is daarom noodzakelijk om facturen en bonnetjes van kosten goed te bewaren en ze volledig in de winstberekening en aangifte inkomstenbelasting te verwerken.

Voor deze aftrekbare kosten zijn diverse regels en voorwaarden. Een groot aantal van deze regels/voorwaarden worden hier toegelicht.

1. Materiële vaste activa

“Bedrijfsmiddelen zijn tot het vaste kapitaal behorende goederen die voor het uitoefenen van de onderneming worden gebruikt en dus niet voor de omzet zijn bestemd”.

  • Kosten <€ 450,- ineens ten laste van de winst.
  • Kosten >€ 450,- mogen niet ineens ten laste van de winst: Activeren en afschrijven.

(o.b.v. technische levensduur of, indien korter, economische levensduur)

2. Welke btw mag je niet aftrekken

Over een aantal uitgaven mag je de btw niet aftrekken. Vaak zijn deze uitgaven wel aftrekbaar als zakelijke kosten voor de inkomstenbelasting.

Deze btw kunt je niet aftrekken:

  • Privéaankopen.,
  • Uitgaven die je maakt over de vrijgestelde omzet.,
  • Eten en drinken in de horeca.,
  • Personeelsvoorzieningen, giften en relatiegeschenken (van meer dan €227 per persoon per jaar).

Maak je kosten voor jezelf, je personeel of zakenrelaties? Dan kun je de btw hierover niet aftrekken als:

  • Het eten en drinken wordt genuttigd in een horecagelegenheid.
  • Een cateraar het eten en drinken verzorgt in een ruimte die speciaal daarvoor is ingericht (bijv. een partytent of een afgehuurde ruimte).
Tabel kosten voor de onderneming

soort kosten

Welk deel van de kosten is aftrekbaar?
Werkruimte thuis0%, met uitzonderingen
Voedsel, drank, representatie, congressen, reis-verblijfkosten etc.drempel € 4.700 (of 20% eindafrekening)
Telefoonabonnement thuis.0%
Telefoongesprekken zakelijk thuis100%
Vakliteratuur100%
Aktetassen100%
Werkkleding100% (voorwaarden)
Privé uitgaven etc.0%
Zakelijke kosten eigen autovast bedrag van € 0,19 per kilometer
Zakelijke reiskosten ov, taxi, vliegtuig100%
Relatiegeschenkendrempelbedrag € 227 (exclusief btw)

3. Zakelijk gebruik van de privéauto

Gebruik je een auto die tot je privévermogen behoort, ook voor een zakelijke doeleinden? Of gebruikt een werknemer deze auto voor zakelijke doeleinden? Dan kun je de btw over het onderhoud en gebruik aftrekken, voor zover de auto wordt gebruikt voor belaste omzet.

Voor de zakelijke ritten kun je een bedrag per kilometer aanmerken als bedrijfskosten. Voor zover de auto wordt gebruikt voor privé doeleinden is geen aftrek mogelijk. Hierbij geldt woon-werkverkeer voor de btw als privé gebruik.

Kilometeradministratie

Hou je een sluitende kilometeradministratie bij? Dan kun je met behulp hiervan berekenen wat de verhouding is tussen zakelijk gebruik en privégebruik.

Gevolgen voor de inkomstenbelasting

Een evenredig deel van de betaalde omzetbelasting kan je terugvorderen. Van belang is daarbij de verhouding zakelijke- en privékilometers.

Voorbeeld zakelijk gebruik privéauto met kilometeradministratie

Je hebt een auto gerekend tot jouw privévermogen, maar gebruikt deze ook zakelijk. De kosten van het gebruik en onderhoud zijn in 2020:

Soort kostenBedrag
Verzekeringspremie€ 400
Motorrijtuigenbelasting€ 350
Brandstof€ 4.000 (btw € 840)
Onderhoud€ 500 (btw € 105)

Je houdt een sluitende kilometeradministratie bij. Uit deze administratie blijkt dat je 60.000 kilometer rijdt in 2020, waarvan 45.000 kilometer zakelijk.

In 2020 kan je aan btw verrekenen:
45.000/60.000 x (€ 840 + € 105) = € 708,75

4. Aftrek van reis- en verblijfkosten

Reis- en verblijfkosten bestaan uit kosten voor: vluchten, openbaar vervoer, taxi’s, gebruik eigen auto of auto van de zaak, overnachtingen, maaltijden, eten en drinken met zakelijke relaties, enz. Voor aftrek van reis- en verblijfkosten gelden diverse beperkingen omdat uitgaven voor deze kosten volgens de wetgever privé voordelen kunnen opleveren.

Die beperkingen gelden voor zowel de inkomstenbelasting als de omzetbelasting, waarbij de regels voor de inkomstenbelasting weer heel anders zijn dan die voor de omzetbelasting. Aftrek van reis- en verblijfkosten voor de inkomstenbelasting.

De wetgever heeft bepaald dat voor een ondernemer de zakelijke kosten voor:

  • Voedsel.,
  • Drank.,
  • Genotmiddelen (bijvoorbeeld sigaretten).,
  • Representatie (geschenken, borrel, etentje).,
  • Congressen.,
  • Seminars.,
  • Studiereizen (inclusief reis- en verblijfkosten).

Slechts beperkt aftrekbaar zijn

Dit geldt voor kosten gemaakt in binnen- en buitenland.

Keuzemogelijkheid;

  • Slechts het gedeelte boven een bedrag van €4.700 per jaar is aftrekbaar.
  • In plaats van deze drempel mag je ook kiezen om 80% van de kosten af te trekken.

Daarnaast zijn er de regels dat:

  • reizen en verblijf in verband met cursussen en opleidingen voor studie en beroep.
  • alsmede in verband met congressen.,
  • seminars.,
  • symposia.,
  • excursies.,
  • studiereizen en dergelijke.

Niet aftrekbaar zijn, voor zover deze meer bedragen dan € 1500, boetes van de Nederlandse staat zijn niet aftrekbaar (buitenlandse boetes wel), reiskosten met privé (gehuurde) auto zijn aftrekbaar tot maximaal €0,19 per km.

Praktische uitwerking voor de inkomstenbelasting

  1. Toon het zakelijke karakter aan! Het zakelijk karakter mag verondersteld worden bij een dienstreis of overwerk.
  2. Schrijf bij zakelijke etentjes met relaties de namen van de relaties en bedrijfsnamen op de factuur.
  3. Bij een werklunch met medewerkers zal je het zakelijke karakter aannemelijk moeten maken, bijvoorbeeld door een agenda en verslag van de bespreking.
  4. Splits de kosten van verblijf in overnachting en eten/drinken en vraag bijvoorbeeld in een hotel om een gespecificeerde rekening.

5. Privéboekingen – eenmanszaak

Voor privéboekingen geldt dat je de rekening privé gebruikt. Hierbij kan je onderscheid maken tussen twee mutaties, zijnde:

  • Privé-onttrekkingen: als je geld of goederen aan de zaak onttrekt.
  • Privé-stortingen: Als je geld of goederen vanuit het privévermogen in de zaak stort, inbrengt of betaalt.

Privé-onttrekking: Er verdwijnen goederen/geld uit de zaak (de voorraden/liquide middelen nemen af). Deze gaan naar privé, daardoor neemt het eigen vermogen af. Indien er sprake is van btw dient deze apart vermeldt te worden als ‘te betalen btw privégebruik’.

Privé-storting: Er worden goederen/geld in de zaak gestoken (de voorraden/liquide middelen nemen toe). Men brengt geld in de zaak vanuit privé, waardoor het eigen vermogen in de zaak stijgt.

6. Kleineondernemersregeling KOR 2020

Behaal je in een jaar minder dan € 20.000 omzet? Dan kun je in aanmerking komen voor de kleine ondernemersregeling. Met deze regeling ben je vrijgesteld voor de btw.

Administratieve verplichtingen

Behaal je in een jaar minder dan € 20.000 omzet? Dan hoef je helemaal geen btw meer te betalen. Je bent wel verplicht om je administratie bij te houden. Je moet tevens kunnen aantonen dat je minder dan € 20.000,- omzet hebt behaald in 1 jaar. Behaal je meer dan € 20.000,- aan omzet en maak je gebruik van de KOR? Dan moet jij je, vanaf het moment dat je meer dan € 20.000,- omzet hebt behaald, afmelden voor de KOR. Je bent vanaf dat moment niet meer vrijgesteld van BTW.

Kom ik in aanmerking voor kleineondernemingsregeling?

Je kunt vrijstelling voor de btw krijgen als je aan de volgende 4 voorwaarden voldoet.

  • Je bent ondernemer voor de btw. Je bent btw-ondernemer als je zelfstandig een beroep of bedrijf uitoefent.
  • Je behaald maximaal € 20.000 omzet per kalenderjaar.
  • je onderneming is in Nederland gevestigd.
  • Je voldoet aan je administratieve verplichtingen voor de btw.

De kleineondernemersregeling geldt ook voor rechtspersonen zoals een bv, stichting of vereniging.

7. Zakelijk of privé?

Het komt voor dat bepaalde kosten naast een zakelijk karakter ook een persoonlijk karakter hebben, bijvoorbeeld doordat jezelf of een ander er als privépersoon voordeel van heeft. Dit zijn de zogenoemde gemengde kosten. Van deze kosten is uitsluitend het zakelijke deel aftrekbaar. Als het persoonlijke karakter van die kosten overheerst, dan zijn die kosten in het geheel niet aftrekbaar.

Voorbeelden van gemengde kosten waarvan alleen het zakelijke deel aftrekbaar is van de winst:

  • Huurkosten van een pand dat is verdeeld in een zakelijk en privégedeelte.
  • Onderhoudskosten van een pand dat bestaat uit een zakelijk en een privégedeelte.
  • Telefoonkosten.,
  • Een auto van de zaak.

Voorbeelden van gemengde kosten die niet aftrekbaar zijn, zijn:

  • Het behalen van een diploma waarvan je buiten de onderneming in belangrijke mate profiteert (rijbewijs).
  • Kosten in verband met je gezondheid (zorgverzekering).

Kosten die geen enkel zakelijk karakter hebben, kan je niet van de winst aftrekken.

Privégebruik

Gebruik je goederen of diensten van je bedrijf ook privé? Bijvoorbeeld voor jezelf of je personeel? Dan mag je soms voor dat privégebruik geen btw aftrekken. In andere gevallen mag je de btw wel aftrekken, maar betaal je ook btw voor het privégebruik. Hier lees je alles over de verschillende mogelijkheden.

Gebruik door jezelf

Onder privégebruik van goederen en diensten door jezelf, valt ook het gebruik door bijv. een familielid.

Van privégebruik is sprake als je:

  • Goederen of diensten koopt die je zowel zakelijk als privé gebruikt. Je gebruikt bijv., je auto of bedrijfscomputer ook privé of je laat een bedrijfspand schilderen dat je ook privé gebruikt.
  • Goederen voor privégebruik aan je bedrijf onttrekt. Je koopt bijv. een nieuwe auto of computer voor je bedrijf. De oude auto of computer gebruik je daarna alleen nog privé.

Gemengd gebruik

Koop je goederen of diensten die je zowel zakelijk als privé gebruikt? Dan zijn er 3 mogelijkheden:

  • Je trekt helemaal geen btw af.
  • Je trekt geen btw af voor het deel dat je privé gebruikt of gaat gebruiken.
  • Je trekt de btw volledig af, maar betaalt aan het einde van het jaar btw voor het privégebruik.

Welke mogelijkheid van toepassing is, hangt af van het soort goederen of diensten:

  • Investeringsgoederen.,
  • Overige goederen en diensten.

Investeringsgoederen

Investeringsgoederen zijn:

  • Onroerende zaken, bijv. een bedrijfspand.
  • Roerende goederen waarop je voor de inkomstenbelasting afschrijft, zoals een auto of computer.

Als je investeringsgoederen ook privé gebruikt moet je kiezen hoe je de goederen voor de btw wilt behandelen. Je kunt:

  • De goederen geheel tot je privévermogen rekenen.
  • De goederen geheel tot jouw bedrijfsvermogen rekenen.
  • De goederen gedeeltelijk tot je bedrijfsvermogen rekenen.

Voorwaarden bij je keuze

Je mag geen goederen tot je bedrijfsvermogen rekenen die je alleen privé gebruikt.

  • Je maakt de keuze voor ieder investeringsgoed afzonderlijk.
  • Je kunt ervoor kiezen goederen voor de btw tot je bedrijfsvermogen te rekenen, terwijl je het voor de inkomstenbelasting tot je privévermogen rekent.
  • Leg je keuze vast in de administratie.

Geheel bedrijfsvermogen

Reken je investeringsgoederen geheel tot je bedrijfsvermogen? En gaat het om onroerende kosten? Dan is de btw volledig aftrekbaar. Over het privégebruik moet je btw betalen. Is er sprake van onroerende zaken? Dan zijn er verschillende mogelijkheden.

Onroerende zaken

De regels voor privégebruik van onroerende zaken zijn met ingang van 1 januari 2011 gewijzigd. De oude regels kunnen echter in sommige gevallen ook na 31 december 2010 nog gelden. Er zijn 3 mogelijkheden:

  • Je hebt na 31 december 2010 een onroerende zaak gekocht of opdracht gegeven om een onroerende zaak te laten bouwen en je gaat die onroerende zaak ook privé gebruiken. Lees dan verder bij onroerende zaken vanaf 1 januari 2011.
  • Je hebt voor 2011 een onroerende zaak met btw gekocht of laten bouwen. En je hebt die onroerende zaak ook voor 1 januari 2011 in gebruik genomen.
  • Je bent in 2010 of eerder begonnen met de bouw van een onroerende zaak. Je gaat deze ook privé gebruiken en na 31 december 2010 in gebruik nemen.

Onroerende zaken tot 1 januari 2011

De regeling voor het privégebruik van een onroerende zaak tot en met 31 december 2010 geldt ook na die datum in de volgende gevallen:

  • Als je de onroerende zaak voor 1 januari 2011 hebt gekocht en in gebruik genomen. Je hebt die zaak ook voor die datum tot je bedrijfsvermogen gerekend en van de uitgaven met betrekking tot de aanschaf de btw afgetrokken.
  • Als je de onroerende zaak op of na 1 januari 2011 zakelijk in gebruik neemt en die onroerende zaak voor 1 januari 2011 als privé aangemerkt werd, heb je recht op voorbelasting aftrek.

Voorbeeld onroerende zaak geheel bedrijfsvermogen

Gebruikt je de onroerende zaak behalve privé, alleen voor belaste omzet? Dan trek je alle bij aanschaf in rekening gebrachte btw af als voorbelasting. Je moet voor het privégebruik btw betalen. Maak daarbij onderscheid tussen de aanschaf- of voortbrengingskosten en de kosten van onderhoud, reparatie of verbouwing.

Herzieningsperiode

Voor onroerende zaken geldt een herzieningsperiode van 10 boekjaren. Deze periode begint in het jaar waarin je de onroerende zaak in gebruik neemt. Gedurende die tijd moet je voor het privégebruik btw betalen. Het boekjaar waarin je de onroerende zaak voor het eerst gaat gebruiken, geldt altijd als een vol jaar. Na afloop van de herzieningsperiode betaal je voor het privégebruik geen btw meer. Tijdens en na de herzieningsperiode moet je wel btw betalen over het deel van de kosten (onderhoud, reparatie en dergelijke) dat onder het privégebruik valt.

Situatie

Je bent adviseur en schaft in 2010 een woonhuis aan waarin je enkele kamers gebruikt voor je zakelijke activiteiten. Je gebruikt het pand 80% privé en 20% voor met btw belaste advieswerkzaamheden. Je hebt het pand volledig tot uw bedrijfsvermogen gerekend. De btw bij aanschaf trek je volledig af.
Dat doe je ook met de btw over de kosten voor gebruik en onderhoud van het pand (zoals gas, licht, water en onderhoud). Over het privégebruik betaal je btw.

Je uitgaven

Aanschaf:

Het pand heb je gekocht voor €600.000, excl. btw.
Deze btw trek je af als voorbelasting.

Btw berekenen

In het 1e jaar:

Je gebruikt het pand voor 80% privé. De aankoopprijs van het pand, excl. btw, verdeel je in 10 gelijke delen over het boekjaar waarin je het pand in gebruik hebt genomen en de 9 daarop volgende jaren.

In het voorbeeld komt dat neer op € 600.000 : 10 = € 60.000.

8. Privégebruik auto van de zaak

Heb je geen kilometeradministratie? Dan stel je de btw die je moet betalen voor het privégebruik vast op 2,7% van de catalogusprijs van de auto, inclusief btw en bpm.

Voorbeeld:

Je hebt een auto gekocht met een catalogusprijs van € 45.000, inclusief btw en bpm. Je hebt de btw op de aanschaf, het onderhoud en gebruik van deze auto volledig afgetrokken. Je gebruikt de auto ook privé, maar je hebt geen sluitende kilometeradministratie. Voor het privégebruik moet je dan 2,7% x € 45.000 = € 1.215 btw betalen.

Je betaalt de btw bij de laatste aangifte van het boekjaar.

Auto gekocht zonder aftrek van btw

Heb je bij aankoop van een auto geen btw afgetrokken (bijvoorbeeld bij aanschaf van een marge-auto of een auto die je van een particulier hebt gekocht)? Dan gebruik je voor de berekening van het privégebruik 1,5% in plaats van 2,7%. Verder blijven de berekeningen hetzelfde.

Catalogusprijs

De catalogusprijs is de officiële nieuwprijs van de (bestel)auto die geldt op de datum dat het kenteken deel 1 is afgegeven. Deze prijs is inclusief:

Btw, bpm en accessoires die door of namens de fabrikant of importeur zijn aangebracht voordat deel 1 van het kenteken is afgegeven.

Voor de meeste auto’s die via officiële importeurs Nederland zijn binnengekomen na 1 juli 2007 en voor alle auto’s die na 1 januari 2010 op kenteken zijn gezet, vind je de catalogusprijs op de internetsite van de RDW.

Bijtelling privégebruik auto

Rijd je privé met een auto die tot uw ondernemingsvermogen behoort? Dan moet je een bedrag bij de winst tellen voor het privégebruik, tenzij je kunt aantonen dat je op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer privé hebt gereden.

De bijtelling is een percentage van de cataloguswaarde van de auto. In 2020 zijn er 2 tarieven voor de bijtelling: 12% en 22%. De bijtelling is afhankelijk van de CO2-uitstoot van de auto. De uitstootgrenzen worden ieder jaar opnieuw vastgesteld.

In 2017 is het normale percentage verlaagd van 25 naar 22. Is jouw auto voor het eerst op naam gesteld vóór 2017, en gold voor die auto de 25%-bijtelling? Dan blijft de 25%-bijtelling van toepassing.

In 2021 vallen alleen bepaalde auto’s zonder CO2-uitstoot in het 12%-tarief. Het verlaagde percentage van 12% geldt voor auto’s op waterstof. Voor nulemissie-auto’s die niet op waterstof rijden, geldt de 12% bijtelling slechts tot en met een cataloguswaarde van € 40.000.

Hoe lang geldt het verlaagde percentage?

Val je in het verlaagde bijtellingspercentage (12%)? Dat percentage geldt voor een periode van 60 maanden. Deze periode gaat in op de 1e dag van de maand die volgt op de maand van eerste toelating. Is die datum bijvoorbeeld 7 maart, dan start de 60-maandsperiode dus op 1 april.

Direct na afloop van de periode van 60 maanden wordt het percentage opnieuw vastgesteld aan de hand van de regels die op dat moment gelden.

Hoe wordt de datum van de eerste toelating bepaald?

Als datum van de eerste toelating geldt de datum waarop de auto voor het eerst in gebruik is genomen. Dat kan in Nederland zijn, maar ook in het buitenland. Bij nieuwe auto’s valt dit moment samen met de datum waarop voor het eerst een kenteken is afgegeven. Maar dit hoeft niet altijd zo te zijn, bijvoorbeeld bij import van gebruikte auto’s.

9. Fiscale reserves

Fiscale reserves zijn bedragen die je opzij legt (reserveert) en die je mag aftrekken van de winst. De 3 belangrijkste fiscale reserves zijn de herinvesteringsreserve bij verkoop van een bedrijfsmiddel, de egalisatiereserve voor hoge periodieke uitgaven, en de oudedagsreserve voor ondernemers in de inkomstenbelasting.

Herinvesteringsreserve

De herinvesteringsreserve stelt je in staat de opbrengst van de verkoop van een bedrijfsmiddel opnieuw te investeren in een ander bedrijfsmiddel. De belastingheffing over de behaalde boekwinst bij de verkoop van het bedrijfsmiddel wordt hierdoor uitgesteld. Om gebruik te maken van deze reserve moet je aan bepaalde voorwaarden voldoen. Hier gaan we later verder op in.

Egalisatiereserve

De egalisatiereserve is bedoeld voor de kosten die eens in de zoveel jaar moeten worden gemaakt voor periodiek onderhoud van de bedrijfsmiddelen, zoals voor het onderhoud van jouw bedrijfspand. Dit zijn vaak hoge kosten. Je kunt deze reserve ook aanleggen voor toekomstige uitgaven, zoals een milieuverontreiniging. Je mag geen egalisatiereserve vormen voor jaarlijks terugkerende uitgaven of voor de aanschaf van bedrijfsmiddelen.

Oudedagsreserve

Als je ondernemer bent voor de inkomstenbelasting mag je jaarlijks een deel van de winst reserveren voor je oudedagsvoorziening. Dat gereserveerde deel heet de oudedagsreserve. Het vormen van een oudedagsreserve betekent niet dat je daadwerkelijk geld opzij zet. Het is een boekhoudkundige reservering van een deel van de winst. Deze reservering zorgt voor uitstel van belastingheffing over dat deel van de winst. Dit levert je dus op de korte termijn een voordeel op.

Herinvesteringsreserve

Je mag de boekwinst op bedrijfsmiddelen opnemen in de herinvesteringsreserve. Voorwaarde is dat je op de balansdatum een voornemen hebt om te herinvesteren in een bedrijfsmiddel. De boekwinst op het verkochte bedrijfsmiddel neem je dan niet op in de fiscale winst, maar voeg je toe aan de herinvesteringsreserve. Hiermee voorkom je dat er direct belasting wordt geheven over die boekwinst.

Afboeken herinvesteringsreserve

Ga ja herinvesteren? Boek dan de gereserveerde boekwinst als een 1e afboeking op de aanschafprijs van het aangeschafte bedrijfsmiddel. Door de afboeking mag de boekwaarde van het nieuwe bedrijfsmiddel niet lager worden dan de boekwaarde van het vervreemde bedrijfsmiddel op het moment van vervreemding. Het restant van de reserve kun je afboeken op een eventuele volgende investering die je binnen de herinvesteringstermijn doet.

De afboeking verlaagt de afschrijvingsbasis van het nieuwe bedrijfsmiddel.

Voorbeeld
De hoogte van de herinvesteringsreserve is € 5.000. Je investeert voor € 30.000 in een nieuw bedrijfsmiddel. De restwaarde van dit bedrijfsmiddel is € 10.000. De afschrijving is 20% per jaar. De afschrijving per jaar bedraagt dan:

  • zonder 1e afboeking op de aanschafprijs: 20% van (€ 30.000 – € 10.000) = € 4.000
  • met 1e afboeking op de aanschafprijs: 20% van (€ 30.000 – € 5.000 – € 10.000) = € 3.000

Vrijval herinvesteringsreserve

Je moet de herinvesteringsreserve (of het restant daarvan) toevoegen aan de winst op het moment dat je niet meer van plan bent om te herinvesteren. Zo vindt alsnog belastingheffing over de boekwinst plaats.

De reserve (of het restant daarvan) valt ook vrij als er 3 jaar verstreken zijn na het boekjaar waarin je de reserve hebt gevormd en je nog niet een herinvestering hebt gedaan.

Egalisatiereserve

Je mag een zogenoemde egalisatiereserve vormen voor kosten en lasten van de bedrijfsuitoefening in dit boekjaar, die pas in de toekomst tot een piek in de uitgaven leiden. Het bekendste voorbeeld hiervan zijn onderhoudskosten aan gebouwen en schepen, waarbij het daadwerkelijke onderhoud bijvoorbeeld eens in de 10 jaar gebeurt.

Een belangrijke voorwaarde is dat het gaat om toekomstige uitgaven wegens kosten, en niet om toekomstige aanschaf of verbetering van bedrijfsmiddelen. De uitgaven voor aanschaf of verbetering van een bedrijfsmiddel breng je in mindering op de winst door de jaarlijkse afschrijving op dit bedrijfsmiddel.

De overige voorwaarden voor het vormen van de egalisatiereserve zijn in de jurisprudentie ontwikkeld. Deze zijn:

  • De kosten worden verdeeld in de toekomst uitgegeven.
  • De kosten zijn noodzakelijk geworden door de ondernemingsuitoefening in het jaar van dotatie (toevoeging).
  • De kosten die in een bepaald jaar zijn opgeroepen, leiden in een komend jaar tot een piek in de uitgaven.
  • Er is een redelijke mate van zekerheid dat de uitgaven zich zullen voordoen.

Te reserveren bedrag

Het bedrag dat je mag reserveren, hangt af van de verwachting over de hoogte van de toekomstige kosten en het tijdstip waarop je de kosten maakt. Je moet dus een redelijke schatting maken. Blijkt achteraf dat de schatting te hoog is uitgevallen? Dan moet je het overschot in de winst opnemen. De jaarlijkse toevoeging hoeft niet altijd gelijk te zijn. Deze kan bijvoorbeeld wijzigen als de kosten stijgen of de periode verandert. De wijzigingen geef je op bij ‘Wijzigingen in toelaatbare reserves’.

Afname van de reserve

In het jaar waarin je de kosten (van bijvoorbeeld het onderhoud) maakt, boek je de kosten af op de reserve. Als de reserve hoger is dan de gemaakte kosten, dan moet je het restant van de reserve opnemen in de winst. Zijn de kosten hoger dan de gevormde reserve, dan trek je de hogere kosten in 1 keer af van de winst.

Je moet de reserve ook in de winst opnemen als het doel waarvoor de reserve ooit is gevormd, is komen te vervallen. Dit is bijvoorbeeld het geval als je het bedrijfsmiddel verkoopt waarvoor je de reserve had gevormd, of als het bedrijfsmiddel verloren gaat.

Oudedagsreserve

Als ondernemer voor de inkomstenbelasting mag je jaarlijks een deel van de winst reserveren voor je oudedagsvoorziening. Dat gereserveerde deel heet de oudedagsreserve. Het vormen van een oudedagsreserve betekent niet dat je daadwerkelijk geld opzij zet; het is een reservering van een deel van de winst. De reservering zorgt voor uitstel van belastingheffing over dat deel van de winst. Dit levert je dus op de korte termijn belastingvoordeel op. Je kunt je oudedagsvoorziening regelen door bijvoorbeeld de aankoop van een lijfrente bij een verzekeraar. De oudedagsreserve neemt af als je voor (een deel van) de reserve een lijfrente aankoopt. Het bedrag waarmee de reserve afneemt, is belastbare winst. Daar staat tegenover dat je de premie voor de aangekochte lijfrente kunt aftrekken

Voorwaarden oudedagsreserve

Om de oudedagsreserve te kunnen vormen, moet je ondernemer zijn voor de inkomstenbelasting en moet je voldoen aan het urencriterium. Je mag aan het begin van het kalenderjaar de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt.

De eis van ondernemerschap voor de inkomstenbelasting betekent dat bijvoorbeeld commanditaire vennoten de reserve niet kunnen vormen. Zij hebben wel winst uit onderneming, maar zij zijn zelf geen ondernemer voor de inkomstenbelasting. Ondernemers voor de vennootschapsbelasting, zoals bv’s, kunnen de reserve ook niet vormen.

Opbouw van de reserve

De oudedagsreserve wordt altijd voor je persoonlijk opgebouwd. Dit betekent dat je en je eventuele partner ieder afzonderlijk een oudedagsreserve kunnen opbouwen. Je moet dan wel allebei door de belastingdienst als ondernemer worden beschouwd en aan het urencriterium voldoen. De toevoeging aan de reserve is een percentage van de winst die je als ondernemer in Nederland hebt behaald. Voor de toevoeging geldt ook een maximum, dat jaarlijks wordt vastgesteld. De toevoeging wordt verminderd met de pensioenpremies die je als bedrijfskosten hebt geboekt. De oudedagsreserve mag door de toevoeging niet uitkomen boven het ondernemingsvermogen. De toevoeging aan de oudedagsreserve moet je zelf berekenen. Je kunt elk jaar een toevoeging doen, maar dit is niet verplicht.

Afname oudedagsreserve

In de volgende twee situaties neemt de oudedagsreserve af of wordt deze opgeheven.

Je koopt een lijfrente voor een inkomensvoorziening en je verzoekt de belastingdienst om de oudedagsreserve met dat bedrag te laten afnemen.

Het bedrag van de oudedagsreserve is hoger dan het ondernemingsvermogen, terwijl zich daarbij 1 van de volgende situaties voordoet.

  • Je staakt de onderneming geheel of gedeeltelijk.
  • Je hebt op 1 januari van het kalenderjaar de AOW-leeftijd bereikt.
  • Je voldoet dit kalenderjaar en het vorige kalenderjaar niet aan het urencriterium.

Een afname of opheffing van jouw oudedagsreserve betekent in principe dat je een hogere winst hebt. Tegenover de winstbijtelling staat de aftrek van het bedrag dat je betaalt bij de aankoop van een lijfrente.

Staken van de onderneming

Met het staken van je onderneming wordt je oudedagsreserve (gedeeltelijk) opgeheven. De bedragen waarover je uitstel van belastingheffing hebt gekregen volgens de regeling van de oudedagsreserve, worden nu bij je winst opgeteld.

Overlijden van de ondernemer

Als je overlijdt, moet fiscaal worden afgerekend over de oudedagsreserve. De reserve wordt dan opgeheven en wordt opgeteld bij je belastbare winst. Maar als je partner jouw onderneming voortzet en de oudedagsreserve overneemt, hoeft er niet worden afgerekend. Jouw partner moet daarvoor een verzoek indienen bij de aangifte.

Is de reserve altijd gunstig?

Het vormen van de oudedagsreserve heeft tot gevolg dat de belastingheffing wordt verschoven naar de toekomst. In de jaren dat je een deel van de winst toevoegt aan jouw oudedagsreserve, betaal je minder belasting. Op enig moment valt deze reserve weer vrij en behoort de afname geheel tot je winst. Je betaalt dan meer belasting. Het is daardoor niet vooraf te zeggen of de reserve voor je gunstig is.

Oudedagsreserve

Voldoe je aan het urencriterium en heb je aan het begin van het kalenderjaar nog niet de AOW-leeftijd (in 2014: 65 jaar en 2 maanden) bereikt? Dan kun je een deel van de jaarwinst toevoegen aan jouw oudedagsreserve. Dit betekent dat je dan een bepaald bedrag van de winst mag aftrekken.

De toevoeging aan je oudedagsreserve over een kalenderjaar is 9,44 % van de winst, met in 2020 een maximum van € 9.218. De toevoeging verminder je met de pensioenpremie die je al van de winst hebt afgetrokken. De toevoeging is maximaal het bedrag waarmee het ondernemingsvermogen aan het einde van het kalenderjaar uitkomt boven de oudedagsreserve aan het begin van het kalenderjaar.

10. Investeringsaftrek

Je kunt als ondernemer financieel voordeel behalen met een aantal investeringsregelingen. Er zijn drie soorten investeringsaftrekken, en er is de VAMIL-regeling. Iedere ondernemer in Nederland die belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting, kan deze regelingen gebruiken. Soms moet je investeringsaftrek terugbetalen, via de desinvesteringsbijtelling.

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA)

Als je in een boekjaar investeert (tussen € 2.401,- en € 328.721) in bedrijfsmiddelen, dan kan je in aanmerking komen voor de KIA.

Voor sommige investeringen heb je geen recht op investeringsaftrek, zijnde: bepaalde bedrijfsmiddelen, zoals woonhuizen, grond, dieren, (zuinige) personenauto’s die niet bestemd zijn voor beroepsvervoer, vaartuigen voor representatieve doeleinden, effecten, vorderingen, goodwill en publiekrechtelijke vergunningen. Daarnaast heb je geen recht op investeringsaftrek als je, bedrijfsmiddelen hebt die zijn bestemd voor verhuur of voor gebruik in het buitenland en bedrijfsmiddelen die minder van € 450,- per stuk kosten.

De hoogte van de KIA wordt berekend aan de hand van de tabel hieronder.

Investering niet meer danKleinschaligheid investeringsaftrek
€2.4000%
€2.401 t/m € 59.17028%
€59.171 t/m €109.57416.568
€109.575 t/m € 328.72116.568 Minus 7,56 % van het bedrag boven € 109.574
Meer dan € 328.7210%

11. Ondernemersaftrek

De ondernemersaftrek is het gezamenlijke bedrag van de:

  • zelfstandigenaftrek.,
  • aftrek voor speur- en ontwikkelingswerk.,
  • meewerkaftrek.,
  • startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid.,
  • stakingsaftrek.

Zelfstandigenaftrek

Ben je ondernemer, voldoe je aan het urencriterium en heb je aan het begin van het kalenderjaar de AOW-leeftijd nog niet bereikt? Dan is de zelfstandigenaftrek een bedrag van € 6.670,-.

De zelfstandigenaftrek bedraagt niet meer dan het bedrag van de winst vóór ondernemersaftrek. Deze beperking geldt niet als je in aanmerking komt voor de startersaftrek.

Als je winst te laag is om de zelfstandigenaftrek geheel toe te passen, kun je het bedrag aan niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek verrekenen in de volgende 9 jaar. De winst moet in die jaren dan wel hoger zijn dan de zelfstandigenaftrek in die jaren.

Startersaftrek

De zelfstandigenaftrek wordt verhoogd met een startersaftrek van € 2.123 in de volgende situatie.

  • Je was in 1 of meer van de 5 voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer.
  • Je paste in die periode niet meer dan 2 keer zelfstandigenaftrek toe.

De zelfstandigenaftrek bedraagt niet meer dan het bedrag van de winst vóór ondernemersaftrek. Deze beperking geldt niet als je in aanmerking komt voor de startersaftrek. Als je in aanmerking komt voor de startersaftrek, heb je recht op het volledige bedrag van de zelfstandigenaftrek.

AOW-leeftijd

Heb je aan het begin van het kalenderjaar de AOW-leeftijd? Dan is de zelfstandigenaftrek 50% van de zelfstandigenaftrek voor ondernemers die aan het begin van het kalenderjaar de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt.

12. Mkb-winstvrijstelling

De mkb-winstvrijstelling is een aftrekpost op je winst. Je krijgt deze vrijstelling als je ondernemer bent.

De mkb-winstvrijstelling is een percentage van de behaalde winst uit 1 of meer ondernemingen. De mkb-winstvrijstelling in 2021 bedraagt 14% van de winst. Je moet de winst eerst verminderen met de ondernemersaftrek.

Let op!

De mkb-vrijstelling verlaagt je fiscale winst. Daardoor ben je minder belasting verschuldigd. Als je onderneming verlies lijdt, verkleint de mkb-vrijstelling het fiscale verlies.  In dat geval is de vrijstelling dus nadelig voor je.

13. Urencriterium

Ben je ondernemer voor de inkomstenbelasting? Dan kun je in aanmerking komen voor bepaalde soorten ondernemersaftrek (zelfstandigenaftrek/startersaftrek etc.). Voor sommige van deze ondernemersaftrekken moet je voldoen aan het urencriterium of het verlaagd urencriterium.

Voorwaarden urencriterium:
Je voldoet meestal aan het urencriterium als je aan de volgende 2 voorwaarden voldoet.

  1. Je besteedt 1.225 uren aan je onderneming (ongeveer 3 dagen per week).
  2. Je moet meer tijd besteden aan je onderneming dan aan andere werkzaamheden (bijv. in loondienst). Was je in 1 van de 5 voorafgaande jaren geen ondernemer? Dan hoef je niet te voldoen aan deze voorwaarde.

Verlaagd-urencriterium

Eén van de voorwaarden voor het krijgen van startersaftrek bij  arbeidsongeschiktheid, is het verlaagd-urencriterium. Besteed je als ondernemer minimaal 800 uur aan je onderneming? Dan voldoe je aan het verlaagd-urencriterium.

Welke uren tellen mee?

Alle uren die je besteedt aan je onderneming tellen mee voor het urencriterium. Dit zijn dus niet alleen de uren die je in rekening brengt aan je klanten. Tijd die je bijv. besteedt aan het maken van offertes, het bijhouden van je administratie of het maken je zakelijke website, tel je mee voor het urencriterium. Je moet de hoeveelheid tijd die je aan je onderneming besteedt wel aantonen.

Voorbeeld

Bart heeft een webhostingbedrijf. Hij is in het weekeinde 24 uur per dag telefonisch bereikbaar voor zijn klanten. De klanten bellen als er een storing met hun website is. Dat komt ongeveer 1 keer in de maand voor. Bart is 4 uur bezig om de storing op te lossen. Deze 4 uur mag Bart meerekenen voor het urencriterium. De overige 44 uur dat hij bereikbaar was, mag hij niet meerekenen voor het urencriterium, omdat hij die uren niet gewerkt heeft.

Coronacrisis

In verband met de coronacrisis kun je misschien niet voldoen aan het urencriterium waardoor je aftrekposten misloopt. Om dit te compenseren is het urencriterium versoepeld. Van 1 januari 2021 t/m 1 juli 2021 mag je er vanuit gaan dat je 24 uur per week aan je onderneming hebt besteed.

14. Kosten met een drempel en een vast bedrag

Voor de volgende kosten geldt een drempel van € 4.700. je mag alleen het bedrag boven de drempel aftrekken. Deze drempel geldt voor de volgende kosten.

  • Kosten voor voeding, drank en genotmiddelen.
  • Kosten voor representatie, zoals recepties, feestelijke bijeenkomsten en vermaak.
  • Kosten voor onder meer congressen, seminars, symposia, excursies en studiereizen (ook reis- en verblijfskosten).

Voor reis- en verblijfskosten is er een aftrekbeperking van maximaal € 1.500.

Voorbeeld:

Je maakt de volgende kosten.

  • € 1.200 voor voedsel, drank en genotmiddelen.
  • € 3.500 voor een receptie.
  • € 2.500 voor reis- en verblijfskosten voor het bijwonen van congressen.

De totale kosten zijn € 7.200. Maar van de reis- en verblijfskosten mag je maximaal € 1.500 aftrekken. Verminderd met de drempel (€ 4.700) kom je uit op een bedrag van € 1.500. Dit bedrag mag je als kosten aftrekken.

15. Aftrek van deze kosten zonder drempel

In je aangifte inkomstenbelasting mag je ervoor kiezen om deze kosten voor 80% af te trekken. je hoeft dan niet over de drempel van € 4.700 uit te komen. De aftrekbeperking van reis- en verblijfskosten van maximaal € 1.500 blijft wel gelden.

Voorbeeld:

Je maakt de volgende kosten.

  • € 1.000 voor voedsel.
  • € 1.500 voor een receptie.

De totale kosten zijn € 2.500. Het bedrag dat je mag aftrekken als kosten is 80% van € 2.500 = € 2.000.

Kosten met een vast bedrag

Voor de kosten van privévervoermiddelen (bijvoorbeeld auto of fiets) geldt een vast bedrag. je mag € 0,19 per zakelijk gereden kilometer aftrekken als gemaakte kosten.

16. Is de btw voor relatiegeschenken aftrekbaar?

De btw-regels rond relatiegeschenken

Om de relatie met je klanten of leverancier warm te houden geef je misschien wel eens een relatiegeschenk. Voor relatiegeschenken gelden bijzondere btw-regels. Niet alle voorbelasting over zakelijke kosten en inkopen is namelijk aftrekbaar. Daarom is het handig om te weten wanneer een geschenk een relatiegeschenk is en wat de toegepaste btw-regels zijn.

Wat is een relatiegeschenk?

Relatiegeschenken zijn incidentele giften die je geeft aan je bestaande relaties. Onder relaties worden bestaande klanten of leveranciers verstaan en géén personeel.

Wervende geschenken zijn geen relatiegeschenken; het betreft dan immers giften aan personen of instellingen die ‘nieuw’ zijn. Ook geschenken die vallen onder de normale bedrijfsvoering, bijvoorbeeld een ‘2 halen 1 betalen’-actie, vallen niet onder relatiegeschenken.

Wat zijn de regels?

Niet alle voorbelasting over zakelijke kosten en inkopen is aftrekbaar. In sommige gevallen kun je geen btw aftrekken. Dit kan het geval zijn bij de btw over relatiegeschenken. Daarvoor geldt de volgende regel: Als de ontvanger het geschenk zelf zou hebben gekocht, zou hij dan recht hebben op aftrek? Als het antwoord op die vraag ‘nee’ is, dan mag je de btw niet aftrekken. Er geldt een uitzondering als de totale kosten per persoon per jaar niet meer bedragen dan € 227.

In dat geval kun je de btw wel aftrekken, ook als de ontvanger een particulier is of een niet btw-ondernemer.

Wat voor geschenk moet ik kopen?

Wil je de btw kunnen aftrekken, zorg er dan voor dat de totale kosten per persoon per jaar niet meer bedragen dan € 227. Geef je een geschenk van boven de €227, zorg er dan voor dat het geschenk gebruikt kan worden in het bedrijf van de ontvanger. Houd in het achterhoofd dat de ontvanger de btw zelf ook in aftrek had kunnen brengen als deze het geschenk zelf had gekocht.

Betreft de ontvanger een particulier of niet btw-ondernemer, dan kun je de btw van een geschenk dat meer waard is dan € 227 nooit aftrekken.

17. Tarieven box 1, 2, 3 en heffingskortingen

Hoeveel inkomstenbelasting moet ik betalen?

Dat kunnen we niet zo 1-2-3 zeggen. Het hangt onder andere af van hoeveel inkomsten en vermogen je hebt. Want er zijn belastingschijven met verschillende tarieven. Het hangt ook af van, of je bijvoorbeeld aftrekbare kosten of schulden hebt.

Voor de inkomstenbelasting zijn er verschillende soorten inkomens

Voor je inkomen uit werk en woning (box 1) gelden andere belastingtarieven dan voor je vermogen (box 3). En die tarieven kunnen per jaar verschillen.

Dit zijn de percentages als je de AOW-leeftijd nog niet hebt bereikt:

Belastingschijf 1: € 37,10% (tot € 68.508)
Belastingschijf 2: € 49,50% (vanaf € 68.508)

Voorbeeld

Je inkomen uit werk en woning is € 30.000. Dan betaalt je 37,35% over € 30.000. Bereik je in 2020 de AOW-leeftijd? Of heb je die leeftijd al bereikt? Dan zijn de tarieven lager.

Algemene heffingskorting 2021

Je bereikt in 2020 nog niet de AOW-leeftijd.

(Onderstaande bedragen zijn gebaseerd op het belastbare inkomen uit werk en woning.)

Tussen € 0 en € 21.043:€ 2.837
Tussen € 21.043 en € 68.507:€ 2.837-5,977% * (belastbaar inkomen – € 21.043)
Vanaf € 68.507:€ 0

Arbeidskorting 2021

Tussen € 0 en € 10.108:4.581% * Arbeidskinkomen
Tussen € 10.108 en € 21.835:€ 463 + 28,771% x (arbeidsinkomen – € 10.108)
Tussen € 21.835 en € 35.652:€ 3.837 + 2,663% x (arbeidsinkomen – € 21.835)
Tussen € 35.652 en € 105.736:€ 4.205 – 6% x (arbeidsinkomen – € 35.652)
Vanaf € 105.736:€ 0

Inkomensafhankelijke combinatiekorting 2020

Je krijgt de inkomensafhankelijke combinatiekorting als je aan de voorwaarden voldoet. De hoogte van de inkomensafhankelijke combinatiekorting is afhankelijk van de hoogte van je arbeidsinkomen.

Tussen € 0 en € 5.072:€ 0
Tussen € 5.072 en € 30.233:11.450% * (arbeidsinkomen – € 5.072)
Vanaf € 30.233:€ 2.881

Heffingskortingen, boxen en tarieven

Heffingskortingen zijn kortingen op de inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Hierdoor betaal je minder belasting en premies. Je kunt 3 belastbare inkomens hebben: in box 1, box 2 en box 3. Per box geldt een ander belastingtarief.

Alle heffingskortingen op een rij

Welke heffingskortingen je krijgt, hangt af van jouw persoonlijke situatie. Iedereen kan de algemene heffingskorting krijgen. Ook als je een laag inkomen hebt. Met een aantal heffingskortingen houd je werkgever of uitkeringsinstantie al rekening.

Belastingschijven en tarieven

Er zijn verschillende soorten inkomen. Voor de inkomstenbelasting zijn deze verdeeld in 3 groepen (boxen) met ieder een eigen tarief.

Box 1: belastbaar inkomen uit werk en woning

Je inkomen uit werk en woning bestaat uit je inkomsten verminderd met je aftrekposten.

Inkomsten box 1
Inkomsten die in box 1 vallen, zijn onder meer:

  • winst uit onderneming.,
  • loon, uitkering of pensioen.,
  • fooien en andere inkomsten.,
  • buitenlandse inkomsten.,
  • inkomsten als freelancer, gastouder, artiest of beroepssporter.,
  • periodieke uitkeringen (zoals uitkeringen van een lijfrente of alimentatiebetalingen).,
  • negatieve persoonsgebonden aftrek.,
  • terugontvangen premies voor lijfrenten en dergelijke.,
  • eigenwoningforfait.,
  • kapitaalverzekeringen eigen woning.

Aftrekposten box 1

In box 1 kun je onder meer de volgende aftrekposten hebben:

  • reisaftrek openbaar vervoer.,
  • aftrekbare kosten van de eigen woning.,
  • uitgaven voor inkomensvoorzieningen, zoals premies voor lijfrenten.

Daarnaast heb je persoonsgebonden aftrek, zoals:

  • alimentatie en andere onderhoudsverplichtingen.,
  • uitgaven voor specifieke zorgkosten.,
  • tijdelijk verblijf thuis ernstig gehandicapten.,
  • studiekosten en andere scholingsuitgaven.,
  • giften.,
  • restant persoonsgebonden aftrek.

Je belastbaar inkomen in box 1 is je inkomen verminderd met te verrekenen verliezen in box 1. Je hebt een verlies als je inkomen in box 1 over een jaar negatief is. Dit verlies mag je verrekenen.

Box 2: aanmerkelijk belang

Heb je, eventueel samen met jouw fiscale partner, een aanmerkelijk belang in een vennootschap of coöperatie? Dan moet je misschien belasting betalen over het voordeel dat je daarvan hebt.

Je kunt 2 soorten voordeel hebben:

Reguliere voordelen, zoals dividend en vervreemdingsvoordelen en verkoopwinst op aandelen.

Wat is een aanmerkelijk belang?

Je hebt een aanmerkelijk belang als je, eventueel samen met je fiscale partner, direct of indirect minimaal 5% hebt van:

  • de aandelen (ook per soort) in een binnen- of buitenlandse vennootschap.
  • de winstbewijzen van een binnen- of buitenlandse vennootschap.
  • de genotsrechten (ook per soort) van de winstbewijzen of aandelen in een binnen- of buitenlandse vennootschap.
  • het stemrecht in een coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag.

Je hebt ook een aanmerkelijk belang als je, eventueel samen met je fiscale partner, opties hebt om minimaal 5% van de aandelen (ook per soort) te verwerven in een binnen- of buitenlandse vennootschap.

Een bewijs van een deelgerechtigdheid in een open fonds voor gemene rekening geldt ook als ‘aandeel in een vennootschap’.

Box 3: sparen en beleggen

Heb je vermogen, zoals spaargeld, aandelen of een tweede woning? Dan hoef je de werkelijke inkomsten, bijvoorbeeld de rente op je spaargeld, het dividend op je aandelen of de huuropbrengst, niet aan te geven. Je kosten, zoals betaalde rente, mag je niet aftrekken.

De belastingdienst rekent een vast percentage van je grondslag sparen en beleggen als je voordeel in box 3. Je grondslag sparen en beleggen is de waarde van je vermogen (bezittingen min schulden) op 1 januari, na aftrek van het heffingsvrij vermogen. Je schulden worden verlaagd met een drempel.

Je voordeel verminder je met je persoonsgebonden aftrek als je daarvoor in box 1 te weinig inkomsten hebt. Wat overblijft is je belastbaar inkomen in box 3.

Heffingsvrij vermogen

Voor iedereen geldt in box 3 een heffingsvrij vermogen.

Is je vermogen niet hoger dan je heffingsvrij vermogen? Dan heb je geen voordeel uit sparen en beleggen en hoef je geen belasting te betalen in box 3. Is je vermogen wel hoger? Dan telt alleen het deel erboven mee voor de berekening van de belasting in box 3.

Fiscale partner

Heb je het hele jaar een fiscale partner? Dan ga je uit van:

  • de gezamenlijke bezittingen min de schulden.
  • de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen.
  • het gezamenlijke heffingsvrij vermogen.

Arbeidsinkomen

De volgende inkomsten vallen onder arbeidsinkomen:

  • winst uit onderneming vóór ondernemersaftrek en mkb-winstvrijstelling.
    Hierbij telt niet mee: het deel van de winst dat je als medegerechtigde of als winstdelende schuldeiser hebt.
  • loon, ziektewetuitkering en andere inkomsten die je krijgt doordat je in loondienst bent en waarop je werkgever loonheffing moet inhouden. Ben je op 1 januari 61 jaar of ouder? Dan telt het bedrag niet mee dat je uit de levensloopvoorziening krijgt omdat je gebruikmaakt van levensloopverlof.
  • fooien, aandelenoptierechten en andere inkomsten waarop je werkgever geen loonheffing hoeft in te houden. Bijvoorbeeld het deel van de fooien waarop je werkgever geen loonheffing inhoudt.
  • vrijgestelde inkomsten uit loondienst als werknemer bij een internationale organisatie.
  • buitenlandse inkomsten uit loondienst of een onderneming.
  • resultaat uit overig werk Bijvoorbeeld de opbrengsten die je niet verdient bij een werkgever, maar met een freelanceopdracht. Het gaat echter niet om de opbrengsten die je krijgt omdat je onderdelen van je vermogen, zoals een pand of geld, ter beschikking stelt aan een met je verbonden persoon, bijvoorbeeld je fiscale partner.